27 September 2008, 20:28
Artikel gepubliceerd in Scientific American 1 (2009) 40 (Nederlandstalig).
Snaartheorie is hot. Dat blijkt uit de hoeveelheid boeken en artikelen die erover geschreven wordt. Zelfs wetenschapsfilosofen proberen vat op deze theorie te krijgen. Richard Dawid, verbonden aan de Universiteit van Wenen, schreef onlangs een filosofische beoordeling van snaartheorie (On the Conflicting Assessments of the Current Status of String Theory). Zijn artikel verschijnt in het volgende nummer van het toonaangevende Amerikaanse tijdschrift Philosophy of Science.
Wat maakt een filosofisch debat over snaartheorie nodig? Volgens Dawid kampt de snaartheorie met de volgende problemen:
1) Er zijn geen experimentele aanwijzingen voor het bestaan van snaren. Zulke aanwijzingen kunnen volgens Dawid ook niet in de nabije toekomst verwacht worden.
2) Snaartheorie is nog steeds een onvolledige theorie zonder een duidelijke strategie voor experimentele toetsing.
3) Snaartheorie beschrijft een multi-universum van mogelijke werelden en voorspelt niet op een eenduidige manier hoe onze wereld in elkaar zit. Zij mist dus de voorspellende kracht die nodig is om de natuurwetten eenduidig te bepalen.
Dawids hoofdstelling is dat de controverse tussen de voorstanders van snaartheorie en haar critici als een “paradigmatische breuk” gezien kan worden. Een paradigma is volgens de beroemde wetenschapsfilosoof Thomas Kuhn een geheel van opvattingen die bepalen wat een goede theorie is. Iedere wetenschapper werkt in het kader van een paradigma, een stel criteria waar de wetenschap zich aan kan meten. Aan de hand van deze criteria kan hij zijn resultaten beoordelen. Kenmerkend voor paradigma’s zijn volgens Kuhn niet alleen zuiver interne factoren zoals het belang van het experiment of wiskundige overwegingen. Even belangrijk zijn de metafysische commitments (filosofische aannames) en waarden die bij het wereldbeeld van een theorie horen. Wetenschappers zijn niet altijd even duidelijk over deze aannames. Zo is bijvoorbeeld de aanname dat beweging deterministisch moet zijn, een metafysisch commitment van de Newtonse mechanica; ook het belang dat gehecht wordt aan de nauwkeurigheid van een voorspelling houdt een waardeoordeel in over de rol van kwantificeerbaarheid in de wetenschap.
Wetenschap gaat sprongsgewijs vooruit en een wetenschappelijke revolutie komt volgens Kuhn pas tot stand als het heersende paradigma plaats maakt voor een nieuw. Het volstaat niet dat de nieuwe theorie objectief succesvoller is dan de vorige (bijvoorbeeld, dat zij meer experimenten kan verklaren); het nieuwe paradigma moet daadwerkelijk door een nieuwe generatie wetenschappers aangenomen worden. Daarom is een wetenschappelijke revolutie volgens Kuhn deels een sociaal en psychologisch proces.
Dawid spreekt van een paradigma-breuk binnen de snaartheorie; deze zou inmiddels het “klassieke wetenschappelijke paradigma” (wat dit ook mag zijn) door een nieuw, eigen paradigma hebben vervangen, waarbij voornamelijk de theoretische consistentie van de theorie van belang is en niet haar experimentele toetsbaarheid.
Critici Roger Penrose en Lee Smolin verwijten de snaartheoreten al zo’n 34 jaar bezig te zijn zonder dat de theorie ook maar de schijn heeft van af zijn: “Van een theorie wordt verwacht dat zij binnen een redelijk termijn een volledige status van voltooing bereikt”. Anders verspilt men zijn tijd. In Dawid’s eigen bewoordingen: “34 jaar nadat ze voor het eerst als een fundamentele theorie voor alle wisselwerkingen werd voorgesteld, heeft snaartheorie nog geen van deze doelen bereikt”. Volgens Smolin zou snaartheorie haar eigen succescriteria zodanig ontwikkelen dat zij altijd als winnaar uit de bus komt.
Het artikel van Dawid bespreekt een belangrijk probleem en streeft naar volledigheid: hij behandelt een brede scala van argumenten die voor of tegen snaartheorie zijn gebruikt. Maar hij neemt stelling tégen de snaartheorie en dat kleurt zijn weergave van de argumenten.
Volgens Dawid worden de boven aangehaalde moeilijkheden “allemaal volledig door snaartheoreten aanvaard”. Nu zijn supersnaren inderdaad nog nooit gezien. Maar de mening dat “het niet verwacht kan worden dat aanwijzingen [voor het bestaan van snaren] binnen afzienbare tijd gevonden zullen worden”, wordt beslist niet door het geheel van snaartheoreten gedeeld. Dawid probeert deze mening met een andere opvatting van hem te staven: dat snaren pas bij een energie gevonden worden die we in de nabije toekomst niet zullen kunnen bereiken. Maar geen van die beweringen is juist. Supersymmetrie moet volgens sommige modellen al in de LHC gevonden worden (zie mijn vorige artikel over de LHC). Surft u bijvoorbeeld eens naar de website van CERN, waar het zoeken naar experimentele bevestiging van snaartheorie wordt genoemd als een belangrijke motivatie voor het onderzoek op de LHC. Dawid maakt geen duidelijk onderscheid tussen directe en indirecte aanwijzingen voor het bestaan van snaren. Dat “het niet verwacht kan worden dat aanwijzingen binnen afzienbare tijd gevonden zullen worden” is dan ook geheel Dawid’s eigen speculatie en niet representatief voor de heersende opvatting in het vakgebied. Jammer dat het artikel sterk op deze uitgangspunten berust, want de rest van zijn analyse wordt er flink door geschaad.
Snaartheorie wordt wel degelijk in de deeltjesfysica toegepast, onder meer bij experimenten op de RHIC (Relativistic Heavy Ion Collider) in Brookhaven. Snaartheorie slaagde er bijvoorbeeld als enige in te verklaren hoe hoog-energetische bundels van quarks, die verwacht worden bij de vuurbal die ontstaat uit de botsing van twee goudkernen, uit konden blijven. Een dergelijke toepassing van snaartheorie berust op het holografische beginsel. Snaartheorie is vanwege deze bruikbaarheid in de natuurkunde van elementaire deeltjes al een tijd de sterkste stuwende kracht achter deze experimenten. Het standpunt dat snaartheorie geen verbinding heeft met het experiment, is volledig achterhaald.
Maar er is nog iets fundamentelers mis met Dawids beeld. Een wetenschapsfilosofische analyse van een theorie kan zich niet beperken tot het bestuderen van die theorie op zichzelf, maar moet, om een volledig beeld te geven, de theorie in de context van het desdetreffende vakgebied plaatsen. Snaartheorie behoort tot het vakgebied van de quantumgravitatie, want zij probeert de quantummechanica en de relativiteitstheorie met elkaar te verenigen. Om de snaartheorie te kunnen beoordelen moet men het geheel van de quantumgravitatie in kaart brengen. De drie belangrijkste kritiekpunten van Dawid (de afwezigheid van experimentele toetsing, het onafgewerkte karakter van de theorie en het gebrek aan voorspellende kracht) zijn geen bijzonderheden van de snaartheorie: het zijn gemeenschappelijke problemen van alle quantumgravitatietheorieën die wij op dit moment kennen. Het verschil is wèl dat snaartheorie tot nu toe meer successen heeft geboekt dan haar concurrenten. Dit laat zien dat de methodologie van Dawid belangrijke zaken over het hoofd ziet.
Om deze reden betwijfel ik dat Dawid’s gebruik van Kuhn’s begrip “paradigma” verhelderend werkt. Een paradigma is een nuttig begrip om te verklaren hoe een oude theorie, met de bijbehorende metafysische commitments en waarden, door een nieuwe theorie wordt vervangen. Maar het is verwarrend om de filosofische aannames van de snaartheorie te vergelijken met die in andere vakgebieden zonder analyse van de quantumgravitatie, de daar bekende theorieën en de daar geldende filosofische aannames. Snaartheorie staat niet op zichzelf, maar bestudeert verschijnselen als de verdamping van zwarte gaten, die door verschillende theorieën worden bestudeerd. Het is daarom eerst noodzakelijk om het snaartheoretische paradigma met de paradigma’s van andere theorieën binnen hetzelfde vakgebied te vergelijken. Mogelijkerwijs maakt de quantumgravitatie, door de extreem hoge energie die ervoor nodig is en de afwezigheid van experimentele toetsing tot nu toe, een nieuw paradigma nodig. Maar dat heeft dan niets te maken met de snaartheorie als specifieke theorie. Dawid beperkt zijn analyse tot de snaartheorie en daarom kan hij dit onderscheid niet maken: een methodologisch mankement.
Er is nog een reden waarom Dawid’s beschrijving in termen van paradigma’s verwarrend is. Snaartheoreten willen de theorie experimenteel geverifieëerd zien. Zolang men zulke projecten als de LHC bouwt, blijft het experiment een wezenlijke toetsteen van de wetenschap. Van een paradigmabreuk is dus geen sprake.
Dawid gaat ook op een aantal andere punten te kort door de bocht. Ik zal er nog één noemen. Het verschil tussen insiders en outsiders in de snaartheorie wordt zeer zwart-wit gepresenteerd. Aan het begin van zijn uiteenzetting lezen we: “String theorists retort that the convincing quality of string theory [...] reveals itself to the string theory expert only, which implies that most of the critics are just not competent to evaluate the situation”. Dat is een nogal generaliserende openingszin. Men krijgt de indruk dat snaartheoreten leden zijn van een gnostische secte waar inzicht slechts door inwijding komt. Terwijl het tegenovergestelde het geval is. Snaartheorie benadrukt juist haar successen en die kan iedereen begrijpen: haar toepasbaarheid bij de RHIC-experimenten, haar beschrijving van zwarte gaten, het feit dat snaren erin slagen quantummechanica en relativiteitstheorie met elkaar te verenigen... Dit zijn successen die geen andere theorie op haar CV heeft staan, en die de snaartheorie en de quantumgravitatie in het algemeen hun bestaansrecht geven.
Zolang de snaartheorie niet experimenteel getoetst is, blijft zij een theorie, een hypothese, een werkkader. Maar als vruchtbare theorie, die bovendien bruikbaar is bij experimenten, hoeft zij zich niet meer te bewijzen. De voornaamste taak voor de critici van de snaartheorie is om met een betere theorie voor de dag te komen.
(Foto’s: Morgan, Pichl)
Geschreven in
Filosofie
Vaste link